top of page
Search

HET STIKSTOFAKKOORD VAN DE VLAAMSE REGERING VAN 23.02.2022

Hebt u al gehoord over het stikstofakkoord dat de Vlaamse regering er vlak voor het krokusverlof doorgeduwd heeft ?

Ingevolge dat stikstofakkoord moeten nu, in principe, 40 rode landbouwbedrijven tegen 2025 hun deuren sluiten. Aanvankelijk waren er dat 58 maar 18 hebben geopteerd voor de uitkoopregeling ( dus zij sluiten hoe dan ook ).

De Abdij van Averbode staat ook op de rode lijst en heeft verzet aangetekend. Net als nog een aantal andere bedrijven wat Minister van Landbouw Hilde Crevits ertoe gebracht heeft vandaag te verkondingen dat elk dossier afzonderlijk zal bekeken worden. Waarom dit niet op voorhand gedaan is ttz voor dat ze op de rode lijst zijn gezet, Joost zal het weten en zelfs hij weet het wellicht niet.

Wat staat er nu precies in dat stikstofakkoord ? In deze link vindt u de concept versie zoals goedgekeurd. Het formeel jasje moet nog gepubliceerd worden. https://omgeving.vlaanderen.be/sites/default/files/atoms/files/VR 2022 2302 MED.0068-2 CN PAS- bijlage.pdf

1.1 G8 SCENARIO Emissiereductiescenario G8 met volgende generieke emissiereducties tegen 2030

  1. Luchtbeleidsplan 2030

  2. Alle piekbelasters (= veeteeltbedrijven, mestverwerkers, industriële puntbronnen, enz. met impactscore

50% in referentiejaar 2015) stoppen: emissiereductie 100% tegen 2030 • Industrie: geen installaties gevat (toestand 2015) • Landbouw: 58 veehouderijen en 2 mestverwerkers gevat (toestand 2015)
  1. Varkens en pluimvee: emissiereductie van 60% in alle niet-AEA stallen tegen 2030 (bovenop generieke emissiereductie van ca. 10% tegen 2030 uit Luchtbeleidsplan)

  2. Rundvee (noot: Emissiereductiemaatregelen die een individueel bedrijf al neemt op grond van de ‘PAS-lijst’ worden in mindering gebracht bij het realiseren van deze emissiereducties.) • Vleesvee: emissiereductie van 15 % tegen 2030 • Melkvee: emissiereductie van 15 % tegen 2030 • Mestkalveren: emissiereductie van 20 % tegen 2030

  3. In SBZ-H geldt daadwerkelijke nulbemesting (max. 2 GVE) in alle groene bestemmingen

  4. De emissies van mestverwerkingsinstallaties met de grootste impactscore worden gereduceerd met 30% (18 van de 118 mestverwerkers gevat)

  5. Wegverkeer: versnelling afname NOx-uitstoot per gereden voertuigkilometer (–2,2 kton NOx in 2030)

2.1 LUCHTBELEIDSPLAN Het PAS-scenario G8 gaat uit van de volledige realisatie van dit beleidsscenario tegen 2030. Dit houdt in dat alle maatregelen vervat in het beleidsscenario tijdig en volledig worden uitgevoerd om de vooropgestelde emissiereductie te kunnen realiseren. Gezamenlijk resulteren die maatregelen uit het Luchtbeleidsplan tegen 2030 in een emissiereductie van 56,5 kton NOx (–43,3%) en 7,3 kton NH3 (–16,8%) ten opzichte van 2015 (basisjaar PAS). Een goed werkend systeem van monitoring en borging in de PAS zorgt voor de mogelijkheid om tijdens de uitvoering van het PAS-programma de inzet van maatregelen desgevallend af te stemmen op betekenisvolle, vastgestelde evoluties in de emissies en deposities in en buiten Vlaanderen en bijkomende inspanningen. (Bvb. Klimaatinspanningen, elektrificatie van het wagenpark, …)

2.2 PIEKBELASTERS (VOORHEEN RODE BEDRIJVEN) In G8 is voorzien dat alle piekbelasters (= veeteeltbedrijven, mestverwerkers, industriële puntbronnen, enz. met impactscore >50% in referentiejaar 2015) stoppen ten laatste in 2030: emissiereductie 100%. Piekbelasters zijn exploitaties met een impactscore die hoger is of gelijk aan 50% in het referentiejaar 2015. Voor rode bedrijven bestaat vandaag flankerend beleid via ‘inrichtingsnota rode bedrijven’. Aantal piekbelasters in 2015: • Industrie: geen installaties gevat • Landbouw: 58 veehouderijen en 2 mestverwerkers gevat Anno 2021: van de 58 veehouderijen staan er 18 niet langer op de lijst wegens stopzetting, aflopen vergunning, verplaatsing, omvorming... De 2 mestverwerkers zijn nog steeds actief. Voor de rode bedrijven bestaat op dit ogenblik flankerend beleid via de ‘inrichtingsnota rode bedrijven’.

Stopzetting piekbelasters tegen ten laatste eind 2025

  • De piekbelasters worden stopgezet (= stopzetting stalemissies van veehouderijen) ten laatste in 2025 door middel van een decretaal initiatief waarin ook flankerend beleid voorzien wordt (de bestaande inrichtingsnota rode bedrijven wordt opgeheven in deze decreetsaanpassing; tot het ogenblik van deze opheffing blijft de inrichtingsnota rode bedrijven van kracht: rode bedrijven die tot die datum een aanvraag voor het flankerend beleid indienen bij de VLM zullen op basis van die inrichtingsnota behandeld worden; via BVR zal de optie bedrijfsverplaatsing wel geschrapt worden uit de bestaande inrichtingsnota rode bedrijven).

  • Voor bedrijven wiens vergunning nog niet vervallen is, wordt flankerend beleid voorzien, mogelijkheden zijn: bedrijfsstopzetting (= stopzetting stalemissies), stopzetting van het volledige bedrijf of bedrijfsreconversie (= stopzetten alle stalemissies en omschakelen naar andere (verbrede) landbouwactiviteiten) volgens de principes van de bestaande instrumenten uit de huidige inrichtingsnota rode bedrijven m.u.v. bedrijfsverplaatsing.

  • Hogere vergoeding bij vroegere vrijwillige stopzetting dan 2025: o Toegangsticket tot hogere vergoeding: ▪ als piekbelasters vroeger stoppen dan 2025, ontvangen zij een hogere vergoeding (20% indien stopzetting in 2023, 10% in 2024). o Bij de berekening van de vergoeding wordt rekening gehouden met de resterende looptijd van de vergunning én de gebruikelijke waardebepaling van het bedrijf door de VLM. Vrijwillige bedrijfsstopzetting oranje bedrijven Naast de piekbelasters wordt voor (donker)oranje veeteeltbedrijven met een impactscore hoger dan 20% een regeling vrijwillige bedrijfsstopzetting tijdelijk (via een call in 2023) opengezet voor bedrijven wiens vergunning nog niet vervallen is. Ze hebben toegang tot hetzelfde flankerend beleid. Wie in 2023 intekent op die call, kan nog maximum 3 jaar de activiteiten voortzetten, maar krijgt een hogere vergoeding indien men na 1 jaar (+20%) of na 2 jaar (+10%) stopt. De vergoeding wordt uitgekeerd in het jaar dat men de activiteiten stopzet. Deze regeling staat ook open voor bedrijfsreconversie waarbij alle emissies worden stopgezet.

  • De bestaande regeling rond oranje bedrijven en bestaand flankerend beleid (inrichtingsnota ‘oranje bedrijven’) wordt decretaal stopgezet, deze dienen zich in te schrijven in de generieke maatregelen voorzien in de DPAS (inclusief significantiekader voor zo ver er bij hervergunningsaanvragen sprake is van een netto emissiestijging) of stappen (bedrijven met impact hoger dan 20%) in een regeling vrijwillige bedrijfsstopzetting. Tot het ogenblik van de opheffing blijft de bestaande inrichtingsnota oranje bedrijven van kracht. Via BVR zal de optie bedrijfsverplaatsing wel geschrapt worden uit de bestaande inrichtingsnota oranje bedrijven.

  • Bedrijven die tijdig (conform omgevingsvergunningsdecreet) een verlenging hebben aangevraagd van hun vergunning, maar op het moment van de call nog niet over een definitieve vergunning beschikken, komen in aanmerking voor de vrijwillige uitkoopregeling

2.3 GENERIEKE MAATREGELEN VEEHOUDERIJEN 2.3.1 Pluimvee/varkens Voor het terugdringen van de ammoniakuitstoot door de veehouderij bevat scenario G8 per (sub)sector een vooropgesteld emissiereductie bovenop de evoluties en maatregelen vervat in het Luchtbeleidsplan. Bij de doorrekening van de emissiereductiescenario’s werd deze inspanning verdeeld over alle bestaande bedrijven, vertrekkende van de referentietoestand 2015. Het betreft volgende reducties: • –60% voor varkens en pluimvee die nog in niet-AEA stallen gehuisvest zijn Dit vertaalt zich per in een globaal emissieniveau dat moet bereikt worden tegen 2030: • 5.700 ton NH3 voor varkens (–60% t.o.v. 2015) • 2.090 ton NH3 voor pluimvee (–49% t.o.v. 2015) Het scenario G8 op zich doet geen uitspraak via welke weg of instrumenten deze reducties bekomen dienen te worden. De scoop van deze reducties (= -60%) zijn gericht op dieren die nog niet in AEA-stallen zitten en dus bestaande exploitaties, en dit te bereiken tegen 2030. Deze reducties kunnen op verschillende manieren bereikt worden: (1) minder dieren, (2) staltechnieken of andere technieken (opgenomen in MB AEA-stallen of de PASlijst), of (3) een combinatie van de twee voorgaanden. Voor uitbreidingen en nieuwe bedrijven geldt de AEAverplichting en het significantiekader. Bedrijven die deze inspanningen tussen 2015 en nu al hebben geleverd, dienen dit uiteraard niet nogmaals te doen. De Vlaamse Regering beslist: Uitvoering reducties 60% in varkens /pluimvee op stalniveau ten opzichte van 2015

  • In de sectorale regelgeving wordt verankerd dat alle bestaande bedrijven die dieren houden in niet-AEA stallen uiterlijk tegen 2030, of al eerder bij de uitvoering van een nieuwe vergunning van onbepaalde duur, een reductie van 60 % op stalniveau dienen te realiseren. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat een landbouwbedrijf een tijdelijke vergunning aanvraagt tot 2030.

  • Waar mogelijk bereiken we de reductiedoelstellingen met investeringen in de meest moderne technieken; waar nodig en/of gewenst (= keuze bedrijf) kan dit ook met een reductie van het aantal dieren of een combinatie van beide;

  • De technieken die hiervoor in aanmerking komen, zijn de technieken die opgenomen zijn in het MB AEA-stallen of de PAS-lijst; de PAS-lijst zal zo spoedig mogelijk (en nadien ook regelmatig) worden geactualiseerd; de wetenschappelijke commissie wordt hiervoor opnieuw samengesteld en geheractiveerd Ingevolge voormelde maatregelen zal het aantal dieren verminderen. In functie van een globale afbouw van de varkensstapel op sectorniveau van 30% van het aantal dieren tegen 2030 wordt daarnaast een aparte vrijwillige stopzettingsregeling (op stal- of bedrijfsniveau) uitgewerkt die nog in 2022 wordt opengesteld.

  • Er is een correctiemechanisme voorzien voor specifieke doelgroepen.

2.3.2 Rundvee Voor het terugdringen van de ammoniakuitstoot door de veehouderij bevat scenario G8 per (deel)sector een vooropgesteld emissiereductie bovenop de evoluties en maatregelen vervat in het Luchtbeleidsplan. Bij de doorrekening van de emissiereductiescenario’s werd deze inspanning verdeeld over alle bestaande bedrijven, vertrekkende van de referentietoestand 2015. Het betreft volgende reducties: • –15% voor vleesvee en melkvee • -20% voor mestkalveren Dit vertaalt zich in een globaal emissieniveau dat moet bereikt worden tegen 2030: • 6.500 ton NH3 voor runderen (–16% t.o.v. 2015) Het scenario G8 op zich doet geen uitspraak via welke weg of instrumenten deze reducties bekomen dienen te worden. De scoop van deze reducties 15/20% op de bestaande exploitaties in deze subsector en dit te bereiken tegen 2030. Deze reducties kunnen op 2 manieren bereikt worden, minder dieren of maatregelen van de PAS lijst runderen (deze lijst die vastgesteld wordt door WeComVe bevat staltechnieken en managementmaatregelen zoals beweiden). Voor uitbreidingen en nieuwe bedrijven wordt verwezen naar significantiekader. De Vlaamse Regering beslist: Uitvoering reducties 15/20% in rundvee op deelsectorniveau ten opzichte van 2015

  • In de sectorale regelgeving wordt verankerd dat bestaande rundveebedrijven de overeenkomstige reductie (15/20%) moeten realiseren.

  • De deelsectoren melkvee en vleesvee moeten beide een reductie van 15% realiseren ten opzichte van de referentietoestand 2015, wat t.o.v. de actuele toestand neerkomt op een reductieinspanning van 7,7% voor vleesvee en 23,7% voor melkvee

  • De reductie wordt bereikt door: o Deze doelstellingen moeten worden bereikt op sector en deelsectorniveau, maar elk bedrijf moet wel een minimale inspanning leveren. o Elk bestaand bedrijf neemt een maatregel uit de PAS-lijst met een minimaal rendement van 5% voor melkvee en vleesvee (met flankerend beleid voor investeringen). Emissiereductiemaatregelen die een individueel bedrijf al neemt op grond van de ‘PAS-lijst’ worden in mindering gebracht bij het realiseren van deze emissiereducties; deze inspanning moet gerealiseerd zijn ten laatste tegen eind 2025. o Begin 2026 dient de sector halfweg te zijn, indien niet dan wordt door de bedrijven binnen de desbetreffende deelsector de restinspanning geleverd door een reductie van het dierenaantal op deelsectorniveau door actieve NER op te kopen in een gesloten NER markt (flankerend beleid zie onderdeel NER). Bedrijven die reeds reducerende maatregelen genomen hebben ten belope van 15/20% worden hierop vrijgesteld. o Bedrijven met mestkalveren dienen een reductie van 20% te realiseren tegen uiterlijk 2030.

De Vlaamse Regering beslist: Er wordt een uitzonderingsregeling voorzien voor (bestaande) bedrijven die voldoen aan volgende voorwaarden. Een uitzonderingsregeling omvat dat deze bedrijven niet onderhevig zijn aan de generieke maatregelen die doorgevoerd worden via de DPAS. Dit wordt regelgevend verankerd: − Kleinschalige bedrijven die een jaaremissie hebben van minder dan 500 kg ammoniak én een impactscore hebben die lager is dan 0,025% (= de minimis-drempel significantiekader) worden vrijgesteld van de verplichte generieke stikstofreductiepercentages. Deze bedrijven moeten wel bijdragen aan de ambitie betreffende stikstofreductie door aangepaste maatregelen te nemen die ook binnen de specifieke bedrijfsrealiteit toepasbaar zijn, en komen hiervoor dan ook in aanmerking voor het flankerend beleid. − Biologische bedrijven met een impactscore tussen 0,025% en 1% worden vrijgesteld van de verplichte reductiepercentages uit het G8 scenario maar dienen wel de maatregelen van de PAS-lijst voor de desbetreffende sector door te voeren die inpasbaar zijn in het “lastenboek bio”. − Biologische bedrijven met een impactscore van meer dan 1% dienen te reduceren volgens de algemene reductiepercentages opgelegd via de maatregelen van G8. − De principes van deze regeling wordt ook geïmplementeerd voor diercategorieën en productiesystemen waarvoor geen erkende maatregelen voorhanden zijn of die niet vervat zijn in de generieke reductiemaatregelen, zoals geiten, schapen en konijnen. Voor deze categorieën wordt een PAS-lijst opgesteld, die dan wel als standaardpraktijk bij managementkeuzes en/of bouw toegepast dienen te worden. Vergunningen met een stijging van de emissies tot gevolg voor uitbreidingen, omvorming van de bedrijfsvoering en nieuwe inplantingen worden beoordeeld overeenkomstig het generieke beoordelingskader.

Emissies Sectorbijdragen De belangrijkste bronnen van stikstofuitstoot (geheel van stikstofoxiden en ammoniak) in Vlaanderen zijn de land- en tuinbouw (49% in 2019, vnl. veeteelt) en het verkeer (33% in 2019). Andere sectoren (industrie, energie, handel en diensten, huishoudens, offroad, enz.) dragen gezamenlijk bij tot de overige 18%. De uitstoot van stikstofoxiden (NOx) in Vlaanderen bedroeg in 2019 37,8 kton N. De belangrijkste bronnen van stikstofoxiden (NOx) zijn verkeer (62%: wegverkeer 32%, scheepvaart 17%, luchtvaart 12% en spoorverkeer 1%), industrie (16%) en de land- en tuinbouw (8%). De uitstoot van ammoniak (NH3) in Vlaanderen bedroeg in 2019 34,1 kton N. De uitstoot van ammoniak (NH3) is voor 95% afkomstig uit de landbouw en omvat o.a. emissies uit stallen (62%), emissies bij het uitrijden van dierlijke mest (20%), bij kunstmestgebruik (7%) en bij mestverwerking.

Recente beslissingen van de Vlaamse Regering, o.a. in het kader van het luchtbeleidsplan 2030, verzekeren een verdere afname van de NOx-uitstoot in Vlaanderen met meer dan 43% in tegen 2030 in vergelijking met 2015 (bron: Luchtbeleidsplan 2030 + berekeningen plan-MER definitief PAS). Voor NH3-uitstoot en deposities blijkt dat er sinds de instelling door de Vlaamse Regering in 2014 van een (voorlopige) programmatische aanpak stikstof, tot op heden géén substantiële daling is ingezet. De verdere toepassing van de werkwijze in onder meer de Omzendbrief OMG/2017/01 is onvoldoende voor het bereiken van de doelstellingen vooropgesteld in het plan-MER. Het (verder) toepassen van de werkwijze uit Omzendbrief OMG/2017/1 op bedrijven met ammoniakuitstoot, zou tegen 2030 niet kunnen leiden tot een substantiële daling van de ammoniakemissies.

De Vlaamse Regering beslist: Het bestaande systeem van de NER te hervormen en reeds met ingang van 1/1/2022 de mogelijkheid tot nieuwe NER mits mestverwerking (NER-MVW) stop te zetten. We bieden een oplossing voor vergunningen die aflopen in 2022 en 2023. Daarnaast worden volgende hervormingen ingevoerd die naast de stopzetting van de instroom van nieuwe NER-MVW regelgevend verankerd worden:

  • Systeem van groei mits mestverwerking wordt stopgezet en uit het decreet geschrapt. ▪ Deze stopzetting grijpt niet in op de bestaande NER MVW. ▪ Het schrappen van NER MVW werkt niet in op de mestverwerkingscapaciteit. ▪ De in het verleden verkregen NER MVW blijven gebonden aan de mestverwerkingsplicht.

  • Slapende NERs worden afgeroomd ▪ Slapende NERs zijn NERs die op 1/1/2022 (foto) de afgelopen 3 jaar (conform systeem bestaande definitie mestdecreet) niet geactiveerd zijn (= gemiddeld aantal van de 3 laatste jaren). Reserve van 10% van de actieve NER’s, dit in functie van fluctuaties in de stalbezetting doorheen het jaar ▪ Slapende NER’s (behoudens vorig punt mbt 10%) verkregen vanaf de initiële toekenning in 2007 en sindsdien in het bedrijf gebleven, worden pondspondsgewijs afgeroomd, deels op de gratis verkregen NER’s zonder vergoeding, deels op de gekochte NER’s met vergoeding. ▪ Slapende NER’s die sinds 2007 verhandeld zijn worden opgekocht aan 1 euro/NER. ▪ Slapende NER’s die zich binnen een vergunning bevinden, waarvoor geïnvesteerd is in stallen (dierplaatsen) sinds 2017 worden niet ingekort. ▪ Slapende NER ten gevolge van overmacht (brand, ziekte-uitbraak, …) in de laatste 3 jaar worden niet afgeroomd (berekening op basis van situatie voor calamiteit).

  • Daarbovenop is er een vaste afroming van 25% van alle actieve NERD’s die verhandeld worden • Hierbij behouden we uitzonderingen voor specifieke overdrachten tussen 1ste-graads familieleden en overgang bedrijfsvorm binnen dezelfde capaciteit (= vervennootschappelijking). • NER worden gekoppeld aan exploitatienummer/landbouwer

3 STIKSTOFSANERINGSPLAN Het stikstofsaneringsplan vindt een basis in de gebiedsanalyses die per SBZ werden opgemaakt door INBO. In deze gebiedsanalyses wordt bekeken welke stikstofsaneringsmaatregelen nodig zijn in functie van het door het natuurdecreet opgelegde natuurherstel. INBO werkte per deelgebied zeer gedetailleerd uit welke maatregelen dienen genomen te worden. Het uitvoeren van deze maatregelen zijn strikt noodzakelijk met het oog op het realiseren van een gunstige staat van instandhouding. Het stikstofsaneringsplan werd uitgewerkt voor alle SBZ-H in Vlaanderen waar stikstofmaatregelen noodzakelijk zijn. Het is een plan met horizon 2045. Maatregelen op landschapsschaal worden uitgevoerd via de instrumenten landinrichting en natuurinrichting. De opmaak van de uitvoeringskalender van de projecten werd op basis van prioritering van de deelgebieden waar maatregelen nodig zijn, opgesteld. Onderstaande kaart geeft een overzicht van de verschillende fases waarin de projecten worden opgestart.

De Vlaamse Regering beslist: Het stikstofsaneringsplan maakt deel uit van de definitieve PAS en geeft uitvoering aan de in artikel 50ter van het natuurdecreet vastgestelde verplichting om in een PAS herstelbeleid te voeren.

De Vlaamse regering beslist: Landbouwers die verplicht worden om te stoppen of zelf die keuze maken om dat te doen worden via een intensieve begeleiding geheroriënteerd op de arbeidsmarkt. Dit kan opleiding, begeleiding, sollicitatietraining en sociale begeleiding omvatten. Er wordt bij het departement Landbouw ook een transitiemanager aangesteld die de landbouwbedrijven zo goed mogelijk begeleidt, in samenwerking met zowel het departement Landbouw als de VLM.

  1. Stopzettingsregeling a. Rode bedrijven: verplichte stopzetting uiterlijk tegen eind 2025; doelgroep = foto van 2015 => daarvan blijven er intussen nog 40 bedrijven en 2 mestverwerkers over; resterende vergunningstermijn wordt meegenomen bij berekening vergoeding; minstens 1 jaar voor einde vergunningstermijn stoppen om vergoeding te krijgen; top up voor wie al vroeger stopt (20% in 2023, 10% in 2024); gronden kunnen vrijwillig te koop aangeboden worden, met voorkooprecht voor overheid b. Donkeroranje bedrijven: in 2023 organiseren we een call voor een vrijwillige stopzettingsregeling voor bedrijven met een impactscore hoger dan 20%; wie in 2023 intekent op die call, kan nog maximum 3 jaar de activiteiten voortzetten, maar krijgt een hogere vergoeding indien men na 1 jaar (+20%) of na 2 jaar (+10%) stopt. De vergoeding wordt uitgekeerd in het jaar dat men de activiteiten stopzet. (Bedrijven die tijdig (conform omgevingsvergunningsdecreet) een verlenging hebben aangevraagd van hun vergunning, maar op het moment van de call nog niet over een definitieve vergunning beschikken, komen in aanmerking voor de vrijwillige uitkoopregeling. c. Varkenssector: doelstelling is een reductie van het aantal varkens met 30% tegen 2030; in 2022 wordt een call stopzetting (op bedrijfs- of stalniveau) georganiseerd voor alle varkensbedrijven met een impactscore hoger dan 0,5%; gesloten enveloppe die toegekend wordt aan de kandidaat-stoppers met de hoogste impactscore; vergoeding voor vleesvarkens 154 euro, voor zeugen 900 euro; sloopvergoeding (gerekend aan 100%) van 40 euro/m²

  2. Nulbemesting a. Verbod op nulbemesting in SBZ-H vanaf 01/01/2028, behalve huiskavels, die vrijgesteld worden b. Compensatievergoeding: 12.000 euro per ha voor wie stopt op 01/01/2024, geleidelijk afbouwend tot 10.000 euro per ha voor wie stopt vanaf 01/01/2028 c. Zelfde compensatievergoedingssysteem voor nulbemesting in VEN-gebieden (zowel bos als natuur) (cf. NP MAP-6+) d. Bedrijven bij wie de nulbemesting een impact heeft op meer dan 20% van het areaal, kunnen vrijwillig instappen in de stopzettingsregeling voor donkeroranje bedrijven e. Eigenaars en gebruikers kunnen inzetten op zelfrealisatie. In samenspraak met de landbouworganisaties, landeigenaars en natuurverenigingen werken we bestaande drempels verder weg. We werken binnen de groene bestemmingen daarvoor een stimulerend systeem uit met het oog op het versneld zelf realiseren van natuur. Hiervoor denken we, niet limitatief, bijvoorbeeld aan een gelijkaardig systeem als een gebruikersschadevergoeding.

  3. Sociale begeleiding landbouwers a. 1,1 mio euro per jaar, waarvan 0,5 mio euro per jaar via GLB kan (cf. supra) b. Aanstelling van een transitiemanager die landbouwbedrijven zo goed mogelijk begeleidt en die goed samenwerkt met het departement Landbouw en de VLM

  4. Onderzoek => via lopend beleid

  5. Regeling NER’s a. Enkel een vergoeding voor slapende NER’s die niet gratis zijn toebedeeld (met pondspondsgewijze toepassing); aantal berekend op basis van gemiddelde van de laatste 3 jaar, met een marge van 10%; prijs 1 euro per NER

Wat betekent dit nu concreet voor ons, de burgers ? In simpele taal uitgelegd :

  • tal van landbouw- en veebedrijven zullen tegen 2025 niet meer bestaan, hetzij omdat ze gesloten zijn, hetzij omdat ze het zelf opgegeven hebben

  • we zullen in de toekomst minder vlees eten

  • het vlees dat we zullen willen eten zal behoorlijk duurder worden

  • groentjes en fruit idem dito, minder beschikbaar en veel duurder

  • we zullen ons minder vaak verplaatsen

  • reizen met de vlieger zal duur uitvallen

  • en, we zullen meer taksen betalen

AGENDA 2030 van de V.N.- the Sustainable Develoment Goals ( SDG's ) & THE GREAT RESET gaan hand in hand. In 2020 had ik het hier al over. Mijn post eertijds werd door FB verwijderd en ik werd geblokkeerd en afgedaan als een complottist. Het bestaan van Agenda2030 werd ontkend ( hoewel ik de integrale teksten had gepubliceerd ) en The Great Reset van WEF evenzo ( hoewel ik ook ... ). I hate to be right. Er is de afgelopen 2 jaar gigantisch veel wetgeving tot stand gekomen op alle niveau's in ontzettend veel materies. Ze duwen alles, volgens plan, er in stilte door, telkens pas met uitwerking in 2025,2026, 2027... 2030. dan, doch pas dan zal de bevolking door hebben wat er in 2020,2021 en 2022 is beslist en de gevolgen voelen in hun portemonnee en op hun bord.





2 views0 comments
bottom of page